RK Wageningen

Zaterdag, 24 juni 2017

Toelichting

Donderdag 8 oktober

Donderdag 8 oktober 20.00 uur, Gerard Pieter Freeman, Hoogleraar Franciscaanse spiritualiteit en verbonden aan het Franciscaans StudieCentrum, gaat in op het Zonnelied dat Franciscus aan het einde van zijn leven schreef. In de Verrijzeniszaal van de parochiecentrum hangt een wandkleed met het Zonnelied ofwel Loflied der Schepselen. Dit lied vervat de essentie van de Franciscaanse spiritualiteit. Freeman gaat in op het ontstaan, de uniekheid en de betekenis van het Zonnelied in de tijd van Franciscus en in de onze. 

 

Het Zonnelied

Officieel heet het Zonnelied de Lofzang der schepselen. Het is bedoeld als lied, maar helaas is de melodie niet bekend. Franciscus heeft het Zonnelied geschreven in de periode 1224-1225 na een periode waarin hij ziek en vertwijfeld was. 

Zonnelied

Twee jaar voor zijn dood lag Franciscus zwaar ziek in een uit stromatten opgetrokken celletje bij San Damiano. Hij lag er al vijftig dagen. Vanwege zijn oogkwaal kon hij overdag het zonlicht niet verdragen en 's nachts was het haardvuur hem al te veel. Hij lag dan ook altijd in dat celletje in het donker met heel veel pijn, zodat hij niet kon slapen. Bovendien krioelde het daar van de muizen die voortdurend over hem en rond hem heen liepen en hem het slapen en het bidden onmogelijk maakten. Het was zo erg dat hij en zijn gezellen het als een beproeving van de duivel zagen.

Op een nacht lag hij er over te peinzen dat hij toch wel erg veel moeilijkheden en beproevingen te verduren had. Hij kreeg met zichzelf te doen en bad in stilte: "Heer kijk naar mij om en help mij mijn kwalen geduldig te dragen." Op dat moment werd hem in de geest gezegd: "Broeder, wees opgetogen en blij hoe ziek je ook bent en hoezeer je ook beproefd wordt. Want vanaf dit moment mag je je even veilig weten als was je reeds in mijn rijk."

De volgende morgen vertelde Franciscus zijn gezellen wat hem overkomen was en hij vervolgde. "Om de Heer te prijzen en mezelf te troosten en te bemoedigen en om anderen te stichten wil ik een nieuwe lofzang maken op de Heer, een lofzang over zijn schepselen waarvan we iedere dag opnieuw gebruik maken, die we nodig hebben om te blijven leven, waarin het menselijk geslacht de Schepper zo vaak beledigt en voor welke voortreffelijke gaven we iedere dag weer ondankbaar zijn. We prijzen en loven onze Schepper, de Gever van alle goed, immers daarvoor niet zoals we dat zouden moeten doen."
Toen ging hij rechtop zitten, trok zich terug in overweging en enige tijd later begon hij:

"Allerhoogste, almachtige, goede Heer
van U zijn de lof, de roem, de eer en alle zegening.
U alleen, Allerhoogste, komen zij toe
En geen mens is waardig U te noemen.

Geloofd zijt gij, mijn Heer, met al uw schepselen,
vooral heer broeder zon, die de dag is,
en door wie Gij ons verlicht.
En hij is mooi en stralend met grote luister.
Van U, Allerhoogste, draagt hij het zinnebeeld.

Geloofd zijt gij, mijn Heer,
door zuster maan en de sterren.
Aan de hemel hebt gij ze gemaakt
Schitterend, kostbaar en mooi.

Geloofd zijt gij, mijn Heer, door broeder wind
en door de lucht en de wolken,
het helder weer en ieder jaargetijde,
waardoor Gij uw schepselen in leven houdt.

Geloofd zijt gij, mijn Heer, door zuster water,
die heel nuttig is, nederig, kostbaar en kuis.

Geloofd zijt gij, mijn Heer, door broeder vuur, door wie Gij voor ons de nacht verlicht.
En hij is mooi en vrolijk, stoer en sterk.



Geloofd zijt gij, mijn Heer, door zuster aarde, onze moeder
die ons in leven houdt en leidt
en allerlei gewassen en kleurige bloemen en kruiden voortbrengt."

"Loof en zegen mijn Heer
en dank en dien Hem met grote nederigheid.

De lofzang die hij componeerde gaf hij de naam Loflied van broeder Zon. De zon is immers de mooiste van alle schepselen en kan beter dan alle schepselen gezien worden als een beeld van God.
Later voegde hij een strofe aan het loflied toe toen hij zag hoe de bisschop en de burgermeester elkaar haatten. En die strofe luidde:

"Geloofd zijt gij, mijn Heer, door hen
die vergiffenis schenken door uw liefde
en ziekte en verdrukking dragen.
Gelukkig zij die dat dragen in vrede,
want door U, Allerhoogste, zullen zij worden gekroond."

En nog later besloot hij zuster dood te bezingen en deed dat als volgt:

"Geloofd zijt gij, mijn Heer,
door onze zuster de lichamelijke dood,
waaraan geen mens kan ontsnappen.
Wee hen die sterven in doodzonde.
Gelukkig wie zij aantreft in uw allerheiligste wil
Want de tweede dood zal hun geen kwaad doen."

"Loof en zegen mijn Heer
en dank en dien Hem met grote nederigheid."

Uit Herinneringen 83-85 en de Geschriften van Franciscus

Artikel overgenomen van Guy Dilweg: http://www.stoutenburg.nl/Zonnelied.htm

Copyright © 2017 RK Wageningen. Alle rechten voorbehouden.